Jeruzalem

 

Deze zomer was ik in Jeruzalem. De oude stad is overzichtelijk op een niet al te grote heuvel gebouwd. Voor zowel het Jodendom, het Christendom als de Islam is het een Heilige Plaats met voor ieder geloof een eigen wijk. Je kunt met gemak door de straatjes en stegen wandelen. De Klaagmuur is de westelijke muur van de verwoeste tempel en bovenop die Tempelberg staat de Al Aqsamoskee. Je zou de twee heiligdommen altaren van permanente discussie en twisten kunnen noemen.

De Heilig Grafkerk
Toen ik de stad bezocht was het daar onrustig omdat twee Palestijnse jongens er recentelijk een Israëlische soldaat hadden doodgestoken. De toegang tot de Tempelberg was als represaille afgesloten en uit protest gebruikten de gelovigen de smalle stegen rond de moskee en andere openbare plaatsen voor hun gebedsdiensten. Slalommend langs het gebakkelei tussen de soldaten en de boze moslims kon je de Via Dolorosa, dat is de Kruisweg met de veertien staties, volgen zonder dat je een strobreed in de weg werd gelegd. In de Heilig Graf- of Verrijzeniskerk bevinden zich de laatste staties en voor de christenen is dit het hoogtepunt van hun pelgrimage. Het is een oud vroeggotisch gebouw uit 1149, dat twee etages telt en vele kapellen, altaren en schrijnen overkoepelt.

In dit enorme complex bevinden zich de plekken waar Christus zowel gekruisigd, gebalsemd als begraven zou zijn. Er klonteren wel dertig confessies of afsplitsingen van Christelijke ordes samen en het schijnt dat men elkaar nog steeds op gezette tijden het eigendomsrecht van specifieke plekken en relikwieën betwist. Al eeuwenlang beheert daarom een Moslimfamilie de sleutels van de kerk. Deze familie moet, vanuit hun neutrale positie, de onderlinge vetes beslechten en de lieve vrede bewaren als er onrust uitbreekt over het een of ander


Devotie, rituelen en mystiek

Toen ik de kerk betrad zag ik als eerste de Steen van Balseming, een roze marmeren plaat onder een baldakijn. Jozef van Arimathea en Nicodemus zouden op deze steen het lichaam van Christus met geurige ‘mirre en aloë’ in een lijkwade gebonden hebben. Gelovigen knielden neer en legden er hun handen op. Anderen prevelden gebeden of wreven er spulletjes overheen, gevoed met heilige krachten voor thuis. In lange rijen trok men van de Golgothakapel, waar het kruis daadwerkelijk gestaan moet hebben, naar de Graftombe. Soms klonk er galmend gezang. Monniken en priesters hielden de wacht bij de kapellen en ongeduldig maanden zij de pelgrims om op te schieten of door te lopen als zij te lang in gebed bleven hangen. Omdat alles dicht op elkaar lag konden de pelgrims zich eenvoudig als in één vloeiende golfbeweging overgeven aan hun devotie. Ik raakte aanvankelijk ontroerd door de bijbehorende rituelen en mystiek, maar hoe gefascineerd ik ook was, naarmate ik langer rondliep des te afstandelijker ik werd.

Beeldarchief
Op geen enkele manier herkende ik, hoe curieus de plaats ook was, de verhalen uit het Nieuwe Testament zoals ik mij die al die jaren voorgesteld had. Toen ik er over nadacht bleek dat ik bij stukjes en beetjes een eigen fantasie had opgebouwd door alle schilderijen en beelden die ik kende. Die Bijbelse voorstellingen waren al die jaren in mijn persoonlijk beeldarchief opgeslagen en zij kwamen mij eigenlijk reëler voor dan de taferelen waar ik in Jeruzalem mee geconfronteerd werd.
Golgotha kende ik uit de schilderkunst als een eenvoudige berg waar een kleine groep aanhangers van de Jezussekte zich rond het kruis had verzameld in een vrijwel leeg landschap zonder de hectische bedomptheid van de huidige sombere kerk. In De Heilig Grafkerk was geen sprake meer van een berg, maar een onder altaren verborgen rotsblok dat deels werd overkapt door verlichte glazen vitrines. De kruisiging hebben wij leren zien als een tragedie, in vele dramatische situaties weergegeven. Dat geldt ook voor de balseming, de graflegging en de wederopstanding. In verschillende cultuurperioden worden de verhalen uit de Bijbel weliswaar anders beleefd, maar steeds waren kunstenaars in staat geweest ze ieder keer weer opnieuw te herformuleren. Zodoende zijn wij eeuwenlang picturaal getuige geweest van Christus geboorte, zijn leven en zijn gewelddadige dood. Kortom, het Christendom zoals wij het kennen is een prachtige constructie van kloppende beeldverhalen en dat miste ik in Jeruzalem.

Een realistisch verhaal
De Heilige Stad is in de middeleeuwse schilderkunst veel weergegeven, maar dan meestal als een geïdealiseerde stad. Ook het Beloofde Land gaat vaak als een fantasielandschap achter een Bijbelse voorstelling schuil. De essentie van de geboorte, het leven en lijden van Christus is ons soms zo vertrouwd dat het net lijkt of wij er ooit zelf bij aanwezig zijn geweest. Die hang naar realiteit in samenhang met spirituele beleving is in de westerse kunst geleidelijk aan ontstaan. Rond 1400 kwam er een tendens in de schilderkunst die loskwam van decoratieve elementen en religieuze voorstellingen werden sindsdien steeds vaker in een aardse werkelijkheid gesitueerd. Giotto geldt op dit gebied als pionier. In zowel de Scrovegnikapel te Padua als de Basiliek van Sint-Franciscus van Assisi heeft hij pogingen gedaan de Bijbelverhalen zo echt mogelijk weer te geven. Tegen een ondiepe achtergrond plaatste hij figuren in uitgesproken emotionele houdingen en construeerde hij gebouwen die er niet meer plat, maar ruimtelijk uitzagen. Voor de mensen die Giotto’s werk voor het eerst zagen leken zijn voorstellingen op dat moment heel realistisch of natuurgetrouw. Zijn manier van verbeelden zorgde voor een picturale aardverschuiving in Europa. Deze zoektocht naar dit verregaande realisme heeft vele eeuwen de Europese schilderkunst gedomineerd.

Een andere manier van denken
De ontwikkeling die bij Giotto begon kwam voort uit een andere manier van denken, want het vroegmiddeleeuwse dogma van gehoorzaamheid en dienstbaarheid waarbij het aardse bestaan gericht moest zijn op het hiernamaals, verschoof langzaam naar het idee dat de mens en de natuur beide onderdeel waren van een goddelijke opdracht. De mens kreeg een centrale rol in de religie en de onstoffelijke Goddelijke waarheid ging voortaan schuil in alle schepsels en dingen op aarde. Het nabootsen van de zichtbare wereld werd aldus een schilderkunstige streven naar de waarheid, vandaar dat de kunstenaars zich bekwaamden in het zo realistisch mogelijk weergeven van de stoffelijke werkelijkheid.

Een doorbraak van dit realisme werd Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. In het veelluik zijn in het bovenste, hemelse, gedeelte de figuren levensgroot afgebeeld. In de onderste helft worden mystieke verwijzingen naar zowel het Oude – als het Nieuwe Testament geplaatst in een imaginair landschap. In de verte van het middenpaneel is het silhouet zichtbaar van het hemelse Jeruzalem. Het is een gotische fantasie met architectonische aspecten die ongetwijfeld in Vlaanderen of elders gekend zijn geweest.

Gestapelde illusies
In de wereld van Rogier van der Weyden kan ik mij nog het beste verplaatsen, vanwege zijn vermogen om alles in zijn schilderijen, zelfs het kleinste detail, maximale aandacht te geven. Ondanks de taferelen van verdriet en wanhoop, die de omstanders bij Christus’ Kruisdood tonen, is de kunst van Rogier van der Weyden vooral heel teder. Ik denk daarbij aan de ‘Abegg-triptiek’ of dichter bij huis De Bewening van Christus in het Mauritshuis. Door de finesses waarmee hij de gebeurtenissen heeft opgevoerd kun je je als kijker bijna niet losmaken van de voorstelling, omdat in die pregnantie gelijktijdig de schilderkunstige verlossing schuilgaat.

Ondanks de overzichtelijke nabijheid die de oude stad bood vond ik in Jeruzalem mijn beeld van de Bijbelverhalen, zoals ik mij die gevormd had, niet echt terug. In de sacrale architectuur van de Heilig Grafkerk raakte ik weliswaar geroerd door de ernst van de vele, vele pelgrims, maar de geloofwaarheid vond ik pas terug in de verbeelding die de kunst mij bood. De opstootjes, dranghekken en patrouillerende soldaten in de verwarrende actualiteit van Jeruzalem, brachten mij weer naar een andere werkelijkheid.

Ronald Ruseler, Haarlem september 2017

Geraadpleegde bronnen:
Dirk de Vos – Rogier van der Weyden
Mieke Boon & Peter Henk Steenhuis – Filosofie van het kijken
Jean Claude Frère – De Vlaamse Primitieven