Nieuwe werkelijkheden – Populisme versus Modernisme

Onlangs waren er twee tentoonstellingen die in dit themanummer over Populisme niet onvermeld mogen blijven. In Bochum was Artige Kunst te zien, waar een poging werd gedaan om de kunst van het Nationaalsocialisme een plaats te geven in een groter kunsthistorisch verband. Officieel goedgekeurde Blut und Boden-kunst uit die tijd werd naast de Entartete Kunst van de vervolgde en verbannen kunstenaars geplaatst. De aanleiding om deze tentoonstelling te organiseren is het opkomend nieuwe Nationalisme in Europa. Bovendien zijn er ook andere (kunst-)historische theorieën die nieuw onderzoek rechtvaardigen. De kunst van de vorige eeuw bestond uit vele parallelle werelden en de caleidoscoop aan opvattingen, stromingen, manifesten en stijlen wèrd de stijl van de 20e eeuw. Daar hoort de kunst, die onder totalitaire regimes gemaakt werd, ook bij.
Tegelijkertijd was er in München de expositie Post War: Art between the Pacific and the Atlantic !945 – 1965van de tentoonstellingsmaker Okwui Enwezor over de invloed en de nawerking die de Tweede Wereldoorlog op de kunst gehad heeft. Beide tentoonstellingen probeerden een antwoord te formuleren over de betekenis van kunst in de 20e eeuw die recht doet aan de context waarin het toentertijd ontstond. Een discussie die weliswaar al vele decennia voortduurt, maar nu de vorige eeuw definitief achter ons ligt kan de geschiedenis gedeeltelijk herijkt worden.

Artige Kunst
Kunst uit de periode van het Nationaalsocialisme is altijd met ongemak bekeken. Het was propagandakunst die tot doel had het Naziregime te verheerlijken. Tussen 1933 en 1945 werd door de NSDAP een propagandacampagne opgezet om het moderne uit de kunst te weren. Het werk van vooraanstaande Avant-gardistische kunstenaars werd uit de musea verwijderd, in beslag genomen of vernietigd. In een reeks exposities die door Duitsland toerden werd de Entartete Kunst als verdorven l’art pour l’art en decadent voorgesteld.
Om de Nationaalsocialistische principes op grote schaal uit te dragen werd in 1937 in het „Haus der Deutschen Kunst“ te München de eerste „Großen Deutschen Kunstausstellung“ door Adolf Hitler geopend met kunst van Duitse bodem. In zijn openingstoespraak sprak hij de volgende woorden:
„Bis zum Machtantritt des Nationalsozialismus hat es in Deutschland eine sogenannte moderne Kunst gegeben, d.h. also, wie es schon im Wesen des Wortes liegt, fast jedes Jahr eine andere. Das nationalsozialistische Deutschland will wieder eine deutsche Kunst, und diese soll und wird wie alle schöpferischen Werte eines Volkes eine ewige sein.“
De Natie eerst. Woorden die ons ook nu in toenemende mate niet onbekend voorkomen. Omdat Adolf Hitler, in tegenstelling tot Stalin en Mussolini, van kunst hield zag hij persoonlijk nauwgezet toe op de Artige-uitgangspunten voor een Duizendjarig Rijk der Kunsten. In de nieuwe canon trof men louter idyllische taferelen of geïdealiseerde voorstellingen aan.

Schuldig werk en de wonden
In de tentoonstellingszalen werd de schuldige Nazikunst afgewisseld met de verboden Avant-garde. De enorme stijlbreuken werden daardoor pijnlijk zichtbaar. De bewieroking van de Contrarevolutie van de NSDAP met voorstellingen over fysieke daadkracht, de verheerlijking van het gezins- en boerenleven, de nieuwe maatschappij in wording maakte keihard duidelijk hoe verstikkend onderdrukking werkt. De maatschappelijke werkelijkheid van oorlog, terreur en massamoord bestond niet of werd door de kunstenaars verbloemd.

Felix Nussbaum – Angst, 1941

Moeilijker werd het als goede en bekwame kunstenaars met boosaardige kunst weliswaar met hun tijd meegegaan waren, maar toch op het verkeerde paard gewed hadden. Want wat bijvoorbeeld te denken van Leni Riefenstahl of Emile Nolde? Nolde b.v. omarmde ook het Nationaalsocialisme en Joseph Goebbels, de minister van Propaganda, was een groot liefhebber van zijn werk. Desondanks werd hij in de ban gedaan, toen Goebbels door Hitler te verstaan werd gegeven dat Noldes werk decadent en verdorven was. Dat lot trof ook Ernst Ludwig Kirchner of oorlogshelden die tussen 14-18 in de loopgraven gevochten hadden en gesneuveld waren, zoals August Macke.

Artige Kunst was een kritische waarschuwing tegen het nieuwe populisme in Europa. Nationalistische denkbeelden roepen weer explosieve vragen op over de verhouding tussen kunst en politiek. Daarom stonden onder anderen de beelden van de getalenteerde opportunist Arno Breeker naast het werk van bijvoorbeeld Felix Nussbaum die in Auschwitz werd vermoord. De levens, of het lot zo men wil, van deze twee kunstenaars illustreert tevens de bizarre wendingen die een mensenleven kunnen bepalen. Nussbaum verbleef vanwege een Pruisische Staatsprijs in Rome en werkte in dezelfde Deutsche Akademie Rom Villa Massimo waar Arno Breeker ook onderdak vond. Zij waren directe buren en hadden contact met elkaar op het moment dat Hitler in 1933 de macht greep. Twee collega’s werkzaam onder één dak. Breeker werd Hitler’s hofleverancier en Nussbaum werd als jood verbannen uit de Duitse kunst.

Arno Breker – Die Kameraden, 1940

Wij kunnen door de ballast van de geschiedenis Totalitaire Kunst niet onbevangen bekijken, maar mogen het ook niet veronachtzamen of negeren. Zij zal onherroepelijk onderdeel worden van onze kunstgeschiedenis, was de strekking van de samenstellers en dat vergt een kritisch bewustzijn.

Postwar 1945 – 1965
In het Haus der Kunst in München waar de eerste „Großen Deutschen Kunstausstellung“ plaats vond, had de tentoonstellingsmaker Okwui Enwezor Postwar 1945 – 1965 samengesteld. Symbolischer kon de plaats niet zijn. Enwezor vroeg zich af hoe de wereld na 1945 de turbulente naoorlogse periode verwerkt heeft en hoe kunstenaars op de trauma’s van de Holocaust en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki gereageerd hebben. Het pijnlijke proces van verwerking en pogingen om op te krabbelen na een allesvernietigende wereldoorlog werd in acht hoofdstukken behandeld. De nawerking van de oorlog kreeg aandacht. Soms uitgedrukt in donker en bijna panisch werk, afgewisseld met koele journalistieke en filmische registraties, zoals het in gereedheid brengen van de eerste atoombom Enola Gay voor Hiroshima.
Hoe moet de kunst in hemelsnaam verder als de destructie zo onoverkomelijk is? De dood en ellende waar de slachtoffers mee van doen hebben gehad en de mogelijkheid van de mens om met atoombommen een finaal einde te maken aan de mensheid op aarde? Heeft ieder nieuwe stap nog wel zin en welk existentieel vooruitzicht ligt er voor ons in het verschiet? Dat was het grote vraagstuk in de nasleep van een periode waarin alles op zwart leek te gaan.

Maruki Iri and Maruki Toshi Collection The Hiroshima Panels II “FIRE” 1950, 1.8m×7.2m

In een televisieregistratie was Hannah Arendt prominent vertegenwoordigd. Zij wees in haar filosofie op de gedachteloosheid die ons kan bevangen wanneer wij ons overgeven aan het kwaad. Wanneer wij ons van geen kwaad bewust zijn of wanneer wij het kwaad niet tot ons bewustzijn willen toelaten, dan zal zelfstandig denken of elk kritisch vermogen verloren gaan. Arendt vatte het in de volgende zin samen:
‘Es ist eine traurige Wahrheit, dass das meiste Übel von Leuten angerichtet wird, die niemals über Gut und Böse nachgedacht haben.’
Desondanks geloofde zij uiteindelijk in het goede van de Mens:
‘Das Böse ist immer nur extrem, aber niemals radikal, es hat keine Tiefe, auch keine Dämonie. Es kann die ganze Welt verwüsten, gerade weil es wie ein Pilz an der Oberfläche weiterwuchert. Tief aber und radikal ist immer nur das Gute.’

Enwezor formuleerde daarop verder de gevolgen van deze naoorlogse periode die uitmondde in de mondiale tweedeling van de Koude Oorlog, waarin onverenigbare politieke systemen onwrikbaar tegenover elkaar stonden. West tegenover Oost. In de kunst betekende het kortweg dat de tegenstelling tussen de ‘Kapitalistische’ Abstractie van de vrije markt en het ‘Communistische’ Sociaalrealisme van de geleide economie groeide en dat beide opvattingen onderdeel werden van de Koude Oorlogspropaganda. Bovendien kwam er een dekolonisatie- en migratieproces op gang dat kosmopolitische opvattingen en denkbeelden in de kunst bracht.

Globalistisch Modernisme
De getoonde werken kwamen uit alle windstreken waardoor er veel ‘onbekende’ kunstenaars een plaats kregen in een universeler en globaler verband. Ook op deze tentoonstelling werden de meest uiteenlopende stijlen en stromingen als gelijkwaardig naast elkaar getoond als een soort 20e eeuws Globalistisch Modernisme. In die samenhang werd je als bezoeker gedwongen om heel goed te kijken, doordat er kunst uit jonge, vrije landen, maar óók uit dictatoriale systemen aan het kunsthistorische curriculum werd toegevoegd. Niet als nivellering of relativering, maar als duiding om je niet te laten opsluiten in (gesloten) systemen of ideologieën. Dát vooral maakte de tentoonstelling van Okwui Enwezor zo bijzonder, net als Artige Kunst, van de curatoren uit Bochum.

Ronald Ruseler – maart 2017
geschreven voor De Nieuwe (Amsterdam) – Themanummer over Populisme

literatuur:
1) “Artige Kunst”
Kunst und Politik im Nationalsozialismus

Kunsthalle Rostock: 27. April – 18. Juni 2017
Kunstforum Ostdeutsche Galerie Regensburg: 14. Juli – 29. Oktober 2017
2) Postwar: Art Between the Pacific and the Atlantic, 1945–1965
Totalitarian Art – Igor Golomstock
3) Die Malerei im deutschen Faschismus: Kunst u. Konterrevolution (1974) – Berthold Hinz
4) Orgelman – Mark Schaevers (2014)
Felix Nussbaum – een schildersleven.
Het werk van Nussbaum is ternauwernood voor ons behouden gebleven.