Nachtreizen in de Andes

voor Margreet

‘Ze waren tegen zessen met een uur vertraging uit Huánuco vertrokken en ze zaten op de twee zitplaatsen voorin de oude Dodge, naast de chauffeur. Achterin zaten vier passagiers opeengepakt, onder wie een vrouw die bij elke kuil ‘ay Jesús’ kermde. De chauffeur droeg een pet die tot op zijn oren was gezakt en je kon amper zijn gezicht zien door de sjaal voor zijn mond. De radio stond keihard aan, zodat de anderen niet konden horen wat Carreño en Mercedes elkaar in het oor fluisterden. Naarmate de colectivo hoger in de Cordillera klom, was de radio slechter te verstaan en ging de muziek verloren in fluittonen en gezoem.’

In dit citaat uit De Geesten van de Andes beschrijft Mario Vargas Llosa een nachtelijke rit door het Peruviaanse bergland in een colectivo. Llosa schetst hoe de reizigers dicht op elkaar in het taxibusje de nacht door hobbelden. Dit fragment deed ons denken aan onze eigen nachtreizen door de Andes en andere afgelegen gebieden in Latijns-Amerika. Rond de evenaar zijn de dagen en de nachten meestal even lang en de schemering duurt soms twintig minuten tot een half uur. De Belgische schilder René Magritte muntte dat moment en heeft er een opmerkelijke serie schilderijen van gemaakt – L’Empire des Lumières. Iedereen kent ze. Een donker huis staat aan het water met boven de straatlantaarn het silhouet van de nacht. In de lucht is het dag met stralend helder licht en witte wolken. Hij noemde dit verschijnsel de kracht van de poëzie en juist die poëtische overgang van dag naar nacht overrompelt je in de tropen. Daarom wordt daar veel in de nacht gereden of in het donker beter gezegd. In de vroege ochtenduren vertrekken de bussen en colectivos naar plaatsen, die vaak ver in de avond worden bereikt. Bovenstaande scene deed ons denken aan onze eigen tocht naar Huánuco in de binnenlanden van Peru.

I – Naar Huánuco.

Om in Huánuco te komen stonden wij die dag zeer vroeg op. Het was nog donker. Voor vertrek reed de bus meermalen in het stadje rond op zoek naar klandizie. Een nette burgerfamilie zorgde voor tumult omdat zij vier plaatsen had gereserveerd, die bij het instappen luidruchtig werden opgeëist. Zij wilden een plaats voorin en niet ergens in het midden van de bus. Nadat wij nog twee keer hadden rondgereden voer de nette mevrouw uit tegen de chauffeur, want het zat volgens haar zo wel vol genoeg.
‘Dit is geen exclusivo meer. Dit is een beestenwagen’, riep zij verontwaardigd.
Steeds meer passagiers vulden, tot haar ergernis, het gangpad en iedereen met vaste plaatsen morde aanvankelijk met de señora mee. De tweede bestuurder werd een beetje boos en gromde dat de mensen naar achteren moesten gaan. Punt van discussie waren de besproken plaatsen voorin en de staanplaatsen achterin. Gemopper alom, want de bus zat ondertussen prop- en propvol.
‘Estamos llenos – Wij zitten vol!’ riep men, ‘ Vamos señor, Vamos….!’
Toen wij de stad eindelijk verlaten hadden hoorden wij de señora voorin nog doorzeuren over de te volle bus.

Onderweg ontstond al snel paniek bij de nette burgerfamilie toen wij de bergen inreden vol gevaarlijke bochten. De weg was niet veel breder dan de bus zelf en de señora viel bijkans in zwijm toen wij naar voren en naar achteren laveerden bij de krappe haarspeldbochten. Achterin hingen wij soms boven de afgrond en zagen de wielen raken aan de rand van de onpeilbare diepte. Ronkend hingen wij tussen berg en ravijn.
‘Ay… Ay… Madre Mia. Laat ons uitstappen’, gilde de vrouw hysterisch. De zoontjes achter haar riepen ook door angst bevangen, dat de passagiers eerst de bus moesten verlaten, want dit ontaardde in een regelrechte catastrofe.
‘Rustig señora’, maande een man in het gangpad, ‘Er gebeurt niets’.
‘Nee mevrouw er gebeurt echt niets’, probeerden ook de anderen de nette burgerfamilie gerust te stellen.
Terwijl de bus de weg vervolgde riep de vrouw zichzelf uit tot spreekbuis van protest over de gevaarlijke praktijken van de busmaatschappij. De gretigheid om geld te verdienen ging volgens haar ten koste van de veiligheid van de passagiers en die van haar familie in het bijzonder.
Bij een controlepost waar eerst alle mannen moesten uitstappen om hun identiteitspapieren te laten zien, schrokken de agenten wakker toen de vrouw hen ter verantwoording riep. Die wisten zich met hun positie eigenlijk geen raad. Verbolgen zette de chauffeur zijn motor uit, waardoor de passagiers begonnen te mopperen over het oponthoud dat door de señora werd veroorzaakt. De boos geworden chauffeur stopte er mee en wilde niet meer weg. Daarna kòn de bus door de blokkade niet weg en tenslotte mòcht de bus van de agenten niet weg.
‘Als er klachten waren moest er eerst een officieel papier ingevuld worden’, zei de politie.
Nadat het formulier door de dame was ingevuld vonden de beambten opeens ook dat er te veel mensen aan boord waren. Verontwaardigd liep de chauffeur op de vrouw af en kankerde dat ze maar beter uit kon stappen met haar familie, want zo werd het niets.
‘Neem alstublieft de volgende bus, dan kunnen wij verder en bovendien is er meer plaats’.
‘Dat nóóit… NUNCA! … NOOIT!.
‘Als u uitstapt señora dan gaan wij met deze gringo’s verder’, gooide iemand olie op het vuur.
‘Ha, ha, ha….Ya, Ya’, lachten anderen, tuk op een relletje. ‘Waarom gooien wij die gringo’s er niet uit’
‘Ya, señores’, knikte een jongeman kortaf, ons schuin aankijkend; ’Claro… Gooi die gringo’s de bus uit… Dan hebben wij meteen meer ruimte.’
Om misverstanden te voorkomen maakten wij snel duidelijk dat wij geen Amerikanen waren, maar Hollanders die uit Europa kwamen. De stemming sloeg daarop om in ons voordeel. De medereizigers toonden zich plotseling welwillend, omdat wij geen Yankees waren, want die waren niet erg geliefd in Peru. Nadat de vrouw met haar familie na het deponeren van de officiële aanklacht weer was ingestapt haalde de chauffeur zijn schouders op en mokte schouderophalend;
‘Ik rij hier al 20 jaar zonder problemen en dan krijg je dit… Vámonos’.
‘Als jullie dit over je kant laten gaan, señores pasajeros, dan verandert er nooit wat’, pruttelde de señora nog wat na, maar bleef, moegestreden, verder rustig. De conductor duwde de dubbele kluts met kracht vooruit, trok aan de andere pook, schakelde met een ruk verder en vervolgde de reis. Ondertussen hadden wij vriendschap gesloten met de rest in de bus en lieten de schoonheid van de sierra’s op ons inwerken, aangespoord door de buren die ons op de schouder tikten en trots naar de schapen in de velden wezen.
‘Ovejas… ovejas – schapen!’

II – Met de postwagen door de nacht

Langgeleden waren de mensen bij ons vaak vroeg op de been. Er was in die tijd weinig verlichting, dus bleef men afhankelijk van het natuurlijke licht. Als de zon onderging kroop men in bed en bij het ochtendgloren was men vaak al op pad. In het dagboek van zijn voetreis door Nederland (1823) beschreef Jacob van Lennep hoe ook hij er bijtijds op uit trok:
‘Nadat wij om vier uur het bed verlaten hadden, wandelden wij om vijf uur over een brede, zanderige weg…’.
In verre streken bepaalt de natuur nog steeds het dagelijks ritme.

In Honduras bijvoorbeeld vertrok onze Correos pick-uptruck om 3 uur in de vroege ochtend. Om de rit niet te missen wandelden wij, nog slaapdronken en een beetje gespannen, door de uitgestorven straten in een heldere tropische nacht naar het huis van de postmeester. Een zwijgzame medereiziger aan de overkant begroette ons met een korte knik. Geduldig wachtten wij voor het huis. Wij hoorden de wekker afgaan en zagen een flauw lampje aanschieten. Nadat onze chauffeur niet veel later de wagen in orde gemaakt had namen wij plaats in de laadbak en reed hij een paar blokken verder, waar een familie klaarstond met bagage en huisraad. De linnenkast, die ook mee moest, werd met touwen tegen de cabine aan gesjord en toen dat gebeurd was installeerden allen zich voor de reis. In een mum van tijd zat de wagen vol. Twee mannen met machetes, die buiten het dorp vanuit het donker opdoken, werden nog opgepikt en erbij gepropt, zodat niemand een kant meer op kon toen de chauffeur definitief doorschakelde naar onze eindbestemming. Op de kaart was de afstand hemelsbreed ongeveer Haarlem – Leiden, het werd echter een tocht die meer dan zeven uur zou duren.
In het begin verlichtten de schijnwerpers alleen de bomen langs de zandweg, maar in de flauwte van de opkomende zon leerden wij de schimmen in de laadbak definitief als onze reisgenoten kennen. De frisse nacht van het open veld ging over in de zoete ochtendgeuren van de dag. Wij zagen de eerste campesinos – de boeren – naar hun landjes lopen, want plots lag de nacht achter ons. De truck waadde door riviertjes, hotsebotste aan rotsen voorbij, reed voorzichtig langs ravijnen en passeerde mannen op paarden. Zo vervolgden wij in daglicht een zware maar exotische expeditie door de wildernis.

III – Hoog in de bergen

Of je nu in de bergen was of bij een grenspost uren stilstond terwijl aan de overkant van de weg mannen en vrouwen, geluidloos en ritmisch deinend achter beslagen ramen dansten, de herinneringen bleven magisch, maar stemden ook weemoedig.
Op onze reis hoog de bergen in, de Cordillera, moesten wij lang wachten en veel geduld hebben. Het leven kreeg alleen enige vaart rond de Terminal, het busstation. Daar kwam alles samen. In die groezelige 24-uurs-buurt rond ons plein bevonden zich wat hoerige zaakjes, waar aangeschoten mannen rondhingen, met in de deurpost een tandeloze waardin, die als een koningin heerste. Er klonk de hele dag zweterige muziek. Bij de marktstalletjes was eten voor onderweg te koop. Vuil lag te rotten in de modderplassen, kapotgereden door de Andes-bus en de colectivos. Verder was het er gemoedelijk, simpel en waren de mensen meegaand.
Onze bus had geen claxon, maar een soort tweetonige stoomfluit. Eenmaal op weg werd er enthousiast aan een touwtje getrokken als wij een dorpje naderden. Een dikke oma zat op haar verzoek met haar kleinzoon voorin, maar moest haar plaats delen met een even stevige moeder met kind. Zij vormden een vlezige buffer tussen onze chauffeur en de rest van de passagiers. Hij kletste aan een stuk door met de dames naast hem of hing zwaaiend uit het raam om reizigers te lokken, waardoor de rit in een slopend traag tempo verliep. Aanvankelijk was het binnen ontzettend benauwd. Wij konden er niet van ontspannen en het zweet gutste van onze lijven. Alles voelde plakkerig tot wij de bergen introkken en het steeds kouder werd. Van onze buurvrouw kregen wij later een deken om over onze ijskoude benen te leggen.
‘Gebruiken! Es frio!’, fluisterde zij met warme stem.
Halverwege de reis stopten wij in een pleisterplaats waar wij konden overstappen. Het had iets stoers als die kleine, stevig gespierde busjes met zanderige schijnwerpers en onder het stof het koude dorpsplein opreden. Buiten de kring van licht van de bus-stop was het aardedonker. Boven onze hoofden waaierde de Melkweg. De sterren leken stille vuurvliegjes van dansend licht.

Na wat heen en weer vragen belandden wij bij de juiste busmaatschappij waar net een relletje aan de gang was. Een groep mensen met een kaartje wilde persé weg, maar er ontstond een heftige woordenwisseling toen er plotseling bijbetaald moest worden. De vrouw van de kaartverkoop was door de consternatie van schrik huilend onder haar bureau gekropen. Ondertussen kwam een vrouw binnengelopen die keihard op de toonbank sloeg.
‘Boleto – kaartje!’, riep zij bozig tegen de pluk zwart haar dat net boven de balie uitkwam.
Toen de kruitdamp was opgetrokken en iedereen zich bij de situatie had neergelegd kon onze reis vervolgd worden. Wij belandden achter elkaar op klapstoeltjes tussen de gewone zitplaatsen. Ze gaven nauwelijks enige steun. Van slapen kon geen sprake zijn, maar de bazin van de bus was een zachte vriendelijke vrouw, die ervoor zorgde dat iedereen zich gaandeweg op zijn gemak ging voelen. De bus zat mudvol en iedereen schudde van hier naar daar, want de weg wemelde van ongelijke sporen en kuilen. Wij keken in het vale licht tegen de rug aan van de bijrijder die iets aan zijn oor had. De wond bedekte hij van tijd tot tijd met zijn capuchon. Hij zat ineengedoken en droeg een warme poncho over zijn gelooide jas. Koude berglucht.

Aangekomen op de plaats van bestemming moesten wij onderdak zien te vinden. Op een onooglijk uithangbord stond vaag Hotel, dus bonsden wij op de deur van de houten barak. Een venter met een lege handkar riep iets naar boven toen hij ons vertwijfeld voor het donkere gebouw zag staan. Gestommel. Deur op een kier. Een schaduw snelde naar buiten en wij schoven snel naar binnen. Weg van een paar donkere types met lange messen aan hun riem, die ons als nachtwezens onheilspellend vanuit de verte aanstaarden. Onze bedden stonden in een pikdonkere slaapzaal waar het ronkte en snurkte. Met onze kleren aan vielen wij in een diepe slaap na een nacht die geen dag leek te worden.

Vargas Llosa eindigt zijn boek De Geesten van de Andes met een nachtbeeld dat iedere reiziger bekend voorkomt.
‘Ik ga een frisse neus halen, godverdomme.’
Hij struikelde naar de deur van de barak en liep naar buiten. Een ijzige windvlaag sloeg hem in het gezicht en ondanks zijn verbijstering, zag hij dat de schitterende halvemaan en de sterren nog steeds vanuit een wolkeloze hemel een helder licht wierpen op de scherpgetande toppen van de Andes.’

Ronald Ruseler, Haarlem – februari 2021

Aanleiding voor deze verhaaltjes:
– Mario Vargas Llosa – De Geesten van de Andes, 1993
– Reisdagboeken uit Latijns-Amerika:
1984, 1989, 1996, 1997, 2007, 2016 – Margreet Bouman en Ronald Ruseler