Margreet Bouman – Het zelfportret als opgave

Stemmen / In het woud I 2021 70 x 100 cm potlood op papier, één werk van 15 tekeningen


Toen ik Margreet Bouman in 1969 leerde kennen tekende zij mensfiguren. Ook hoofden, alleen waren het nog niet haar eigen hoofden. Die kwamen later pas, nadat zij haar studie aan de academie had afgerond. Van dichtbij heb ik de ontwikkeling van haar kunst nauwgezet kunnen volgen. Haar eigen zelf werd stukje bij beetje de kern van haar werk. De hoofden werden bakens van verbeelding in een complexe verhouding tussen de binnen- en buitenwereld. Zij schilderde sindsdien nooit meer óver iets, maar vanuit iets. Het oeuvre van Margreet is op den duur uitgegroeid tot een omvangrijk existentieel continent

Continent van Hoofden
Haar continent van hoofden is een persoonlijk universum geworden en langzaamaan heb ik het zien uitgroeien tot een imposant geheel. De momenten van reflectie die aan een nieuwe periode voorafgingen zijn nooit eenvoudig geweest en konden soms een grote tijdspanne omvatten. Door een verscheidenheid aan invalshoeken lijkt zij haar kunstenaarschap iedere keer opnieuw uit te vinden. De radicaliteit van dat kunstenaarschap is daarmee meteen samengevat: zoeken naar het uiterst mogelijke en als het zich niet makkelijk geeft, dan is het maar zo. Alles of niets moet het zijn, de tussenweg bestaat niet. 

Nooit op gelijkenis
Het eigen hoofd is altijd het ijkpunt tussen die uitersten geweest en moet reëel zijn, maar het hoeft niet per se te lijken.
‘Ik teken nooit op gelijkenis’, vertelt Margreet, wijzend op een nieuw monumentaal werk – Stemmen / In het Woud – dat uit 15 grote tekeningen bestaat.
‘Ik maak wel foto’s van mijzelf of gebruik een hoofd uit ouder werk dat voldoet aan de rol die het moet spelen. Ik heb een behoorlijk archief opgebouwd waar ik uit kan putten. Als ik een werk opzet moeten alle onderdelen van de kop meteen op de juiste plaats zitten; en het allerbelangrijkste: de blik moet goed zijn. Is de uitdrukking niet goed, dan houdt het op. Ik wil er niet aan hoeven corrigeren, anders ben ik alleen maar met die kop bezig. Ik moet er verder mee kunnen gaan. Daarom projecteer ik altijd eerst schetsmatig een eerste opzet, en dan begint het werkproces.’
Hoewel uiterlijkheid niet belangrijk is, zie je toch onmiskenbaar Margreet zelf. Niet de kunstenaar als persoon, maar als een masker bijna, een sjabloon waarachter zich een diepe magische wereld schuilhoudt. Het individuele wordt daarmee universeel. 

Op weg naar een eigen vorm
Na een bezoek in 1979 aan de Verenigde Staten is duidelijk sprake van een doorbraak. Wij reisden dat jaar door de zuidwestelijke staten, trokken door woestijnen en bezochten in stadjes ceremonies van de Native Americans. Daar ontdekten wij dat de inheemse cultuur deel was gaan uitmaken van de Amerikaanse Leitkultur. Die vervlochtenheid van oud en modern, geschiedenis en actualiteit kwamen wij overal tegen en dat inspireerde ons.
Margreet: ‘Ik begon de motieven van de inheemse Amerikaanse cultuur van gezangen en allerlei andere stijlelementen met elkaar te combineren. Daarmee heb ik een hele serie werken gemaakt. Maar het voelde op den duur toch te onpersoonlijk. In die tijd waarin ik nadacht hoe ik verder moest, ben ik begonnen mijzelf in het werk te plaatsen. Naast de vormen uit de periode daarvóór kwam ik weer uit bij de figuren die ik tekende voordat ik naar de academie ging. Dat is het begin geworden van een standpunt waar ik nog steeds van uitga.’ 

Het labyrint van Sigmund Freud
Voor Margreet is inhoudelijkheid altijd belangrijk geweest. Volgens haar kan vorm niet zonder betekenis. Een kunstwerk is geen ding.
‘In die tijd heb ik bijna alles van Freud gelezen. Diens theorieën stuurden mijn beelden, schiepen ruimte voor inhoud en ordenden tevens mijn denkwereld. Ik zag mijzelf in een wereld geplaatst tussen het allergrootste en het allerkleinste. De verwerking van de feitelijke en objectieve werkelijkheid is problematisch en persoonlijk. Daarom ben ik, om mijn verhaal vast te houden, op den duur in reeksen gaan werken. Ze omvatten als het ware een registratie van mijn gedachten. De kop is mijn anker, maar ik kan pas werken als ik het probleem dat mij bezighoudt voor mij zie en toch krijg ik er nooit echt vat op.’ 
Hier begint de reis door het ondoorgrondelijke en Freud suddert op de achtergrond nog steeds mee. 

Bewondering
‘Ik heb mij altijd naast de kunstenaars geplaatst die ik bewonder. Zij begrenzen mijn referentiekader. Ik ben bijvoorbeeld altijd gefascineerd geweest door de schilderijen van de middeleeuwse schilder Rogier van der Weyden. Niet in religieuze zin, maar vanwege de emotie die hij weet op te roepen. Dat kan een gebaar zijn, een houding of een blik. Bij hem klopt het en daar streef ik ook naar. Alles moet kloppen in mijn werk.’
Ook Caravaggio is van begin af aan een held geweest. Diens schilderijen heeft zij in etappes nagereisd, van Rome naar Napels, Sicilië en daarna Malta. Zijn motieven van kracht, kwetsbaarheid en dood zijn in eerdere schilderijen en tekeningen van Margreet terug te vinden. Maar ook andere voorbeelden lieten hun sporen na. Bij Picasso herkende zij zichzelf in een schilderij van een denkende vrouw, ze gebruikte de ets over een slapende Faust van Max Beckmann. Voor de twee series in deze publicatie was de aanleiding een tekening van Edvard Munch Ogen | De Stem uit ca.1893 – 1896. 

Edvard Munch – Ogen | De Stem, ca.1893 – 1896.

De hemelse blik
In die tekening komt een vrouwengezicht maar net in beeld en is half afgesneden aan de onderrand van het papier. Deze compositie komt ons nu niet onbekend voor, want foto’s als deze tuimelen bijna dagelijks voorbij in de waterval van selfies op de sociale media. Edvard Munch echter heeft dit beeld uitgevonden om iets meer te zeggen dan een toevallige, vluchtige pose.

‘Dine øine ere store som den halve himmel / når du står nær mig og håret dit har guldstøv / munden ser jeg ikke – ser blot at du smiler’, schreef hij in potlood bij deze tekening. ‘Je ogen zijn zo groot als de helft van de hemel / als je dicht bij me staat, en je haar heeft goudstof / je mond zie ik niet – zie gewoon dat je lacht.’ 

Hij wil door middel van de ogen en die blik een stem laten horen, een stem die samengaat met de vervoering die de kunstenaar op dat moment voelde. In een split second was hij gevangen in de tijd en wij, de beschouwers – de meekijkers, worden opgenomen in de eeuwige kortstondigheid van dit kunstwerk. De ogen kijken ons hemels aan en onderwijl varen twee figuren zwijgend in een roeiboot voorbij en de ondergaande zon staat aan de einder, met links en rechts bomen aan de oever.
Deze bijzondere compositie gebruikte Margreet eerst als basisvorm toen zij er begin dit jaar een ets over maakte, maar de tekening bleef haar intrigeren. Er zat meer in om over na te denken. In de blik lag een transcendent universum verscholen en die oneindigheid weerkaatste in haar gedachten tijdens haar wandelingen. Terug in het atelier werkte zij in een paar maanden aan de twee reeksen van ieder 15 tekeningen Stemmen | In het Woud waarin zij als het ware verslag doet van de dwaaltocht door haar eigen gedachten. De kettingreactie die volgde op die ene stem van Munch is de samenvatting geworden van haar eigen stille wereld met op de achtergrond de oerknal, het moment waarop het donkere licht wordt. 

Ronald Ruseler Vogelenzang, juli 2021.

Geraadpleegde bronnen: 
Gesprekken met Margreet Bouman maart en mei 2021
Wim Vogel: Het labyrint van Margreet Bouman 2011
Isabella Lanz: Family Affairs #1&2, 1998
Lex ter Braak: Omgekeerde portretten 1996
Lex ter Braak: Het Hoofd 1994
Munchmuseet, Oslo: ref. MM.T.00329 | Øyne. Stemmen. Tegninger.

Meer werk van Margreet Bouman is te zien op www.margreetbouman.nl

Stemmen / In het woud 2021 140 x 210 cm grafiet op papier