En ook Felix Nussbaum

Carl Friedman – Gedichten, de Korenmaat 2020

In mei 1982 zag ik, in het Frans Halsmuseum te Haarlem, voor het eerst het werk van de Duitse schilder Felix Nussbaum, die in 1944 door de nazi’s was vermoord in Auschwitz. De voorstellingen waren nogal macaber. Figuren in concentratiekampen, sombere zelfportretten en landschappen vol kale bomen. In dat jaar bereidde ik mijn eigen solo-expositie voor in hetzelfde museum.

De schilderijen fascineerden mij meteen, omdat zij een periode in de geschiedenis markeerden die mij in die tijd erg bezighield. Het werk van Nussbaum had een soort verlatenheid vol visioenen en fatalistische, bijna apocalyptische verwijzingen. Bij Max Beckmann of Giorgio de Chirico, Carlo Carrà en Mario Sironi speelden desolate voorstellingen eveneens een rol, alleen minder heftig.

Goethe spion of ontdekker
In mijn academietijd had ik een intensieve studie gemaakt van alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken had. Ik interesseerde mij, naast kunst die naar de depots verbannen was, ook voor bunkerarchitectuur en werd daarbij geïnspireerd door de Duitse schrijver Johann Wolfgang Von Goethe die in zijn reisverslag naar Italië (hij reisde van 1786 tot mei 1788 door het land) beschreef hoe hij in het plaatsje Malcesine aan het Garda Meer de ruïne van een verwaarloosd stadsfort tekende. Door de bewoners werd hij achterdochtig benaderd en van spionage beschuldigd, omdat hij de oude verdedigingsmuur zat te tekenen. Voor Goethe was de landschappelijkheid en het oude fort aantrekkelijk, maar de bewoners zagen dat anders. Op de trappen van het stadhuis hield hij na een maaltijd met de burgemeester, een gloedvol betoog over het Klassieke Rome waar deze ruïne een afspiegeling van was. Goethe bleek een kanteling in de perceptie van de bewoners van Malcesine te hebben bewerkstelligd, want verval kon opeens ook mooi zijn. ‘Waren de bunkerruïnes in de duinen niet van dezelfde orde?’, vroeg ik mij af.

Johann Wolfgang Von Goethe – Malcesine

Bunkerarchitectuur
In mijn vroege jeugd kampeerde ik met mijn ouders ieder jaar in een bunkerdorpje achter het eerste duin in de Kennemerduinen nabij Haarlem. Het was er primitief. Water haalde je bij een zwengelpomp en de ijzeren stapelbedden in de voormalige soldatenverblijven waren nog origineel, maar helder opgeschoond met verse zilververf. Voor een kind was het avontuurlijk spelen in die bebunkerde duinkom of op het strand waar je via een donkere tunnel kon komen. Deze jeugdherinneringen zetten mij in de vroege jaren zeventig aan tot nadenken over de historische gevolgen van de oorlogstijd, die toen het publieke discours breed en intensief domineerden. De historicus Loe de Jong publiceerde vanaf 1969 met grote regelmaat delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, hèt standaardwerk over de bezettingsperiode, die ik alle geboeid gelezen heb. Ik reisde naar Normandië om de slagvelden van D-Day te bezoeken, te fotograferen en te tekenen. Voor het bijvak Kunsthistorisch Schetsen sloot ik in 1975 mijn examen op de academie af met een studie over deze Architecture of Aggression uit de oorlog. (1)

Observatorium – 1976
aankoop Gemeente Haarlem

De mythische afstand
In 1983 exposeerde ik mijn schilderijen in het Frans Halsmuseum. De keuze bestond uit grote, bijna abstracte doeken en een monumentaal veld van kleine schilderijtjes. Alle werken verwezen naar de mythische afstand – de afstand in tijd naar een beladen verleden, dat voor mij een mythisch begrip was geworden. Het niemandsland als raadsel, want historische gebeurtenissen kunnen weliswaar ver weg zijn, op sommige momenten komen zij tastbaar dichtbij.
Het waren sombere en dreigende doeken geworden, waar lange verfstreken in één vlak landschappen suggereerden. De kleine schilderijen met telkens terugkomende elementen, bepaalden eenzelfde sfeer en spanning. Alle schilderijen gingen over hetzelfde onderwerp, vertelden één verhaal en waren vanuit dezelfde mentaliteit geschilderd. Mijn schilderhelden waren Bacon, Van Velde, De Kooning en Rothko. In die mix van verfgebruik en intentie kregen mijn opvattingen vorm.
Ik kreeg er bij collega’s niet alle handen voor op elkaar, omdat het niet serieel of formeel genoeg was. Ik vond (en dat vind ik nog steeds) dat mijn werk iets te zeggen hoorde te hebben en vanuit een maatschappelijk betrokken levenshouding gemaakt moest zijn. Ik zag kunst niet als l’art pour l’art, maar als intermediair tussen de maker en de buitenwereld. Voor mij is kunst altijd leven geweest. De twee tentoonstellingen sloten als het ware op elkaar aan, maar vervluchtigden gaandeweg.

Ronald Ruseler, Frans Halsmuseum Haarlem 1983

Het nooit eindigend Arcadië
Mijn reizen werden een voedingsbron voor mijn denken en ik bezocht veel tentoonstellingen, musea, steden en gebieden die ieder hun eigen lokroep hadden. Dat betekende veel voor mij. Zo werd er rond 1987 en 1988 in de Staatliche Kunsthalle Baden-Baden een poging ondernomen om met een reeks exposities opnieuw belangstelling te wekken voor de kunst van Carlo Carrà & Mario Sironi. Hun kunst heeft iets melancholisch en gloeit mediterraan. Van Carrà bewonderde ik vooral zijn tekeningen en de landschappen van verloren oorden. Kale landschappen met één huis of een kale boom. Sironi, niet van smetten vrij, werkte afstandelijker en niet-moralistisch. Net als Giorgio de Chirico waren deze kunstenaars in gesprek met Giotto . (2)
Mijn reizen door Latijns-Amerika verbond voor mij hun schilderkunst met die van zuidelijk Amerikaanse kunst. Daar maakte ik kennis met de authentieke opvattingen van Diego Rivera en andere muralistas over sociale rechtvaardigheid, zoals José Orozco en Rufino Tamayo. Frida Kahlo of Tarsila do Amaral vonden hun inspiratie in de traditionele volkskunst en in samenhang met de literatuur van de grote schrijvers als Gabriel García Márquez, Mario Vargas Llosa of João Guimarães Rosa was hun kunst voor mij een nooit eindigend Arcadië.

Het Blauwe Huis, geboortehuis Frida Kahlo – Hier woonde zij later ook met Diego Rivera

Op de vlucht
Het werk van Felix Nussbaum paste in mijn imaginaire kunstverzameling. Hij kwam bij mij weer in beeld door de biografie van Mark Schaevers, Orgelman: Felix Nussbaum, een schildersleven. In dat boek las ik dat de expositie van 1982 in Haarlem het eerste overzicht was na de oorlog. Door de onderduik van Nussbaum in Frankrijk en België waren zijn schilderijen zoekgeraakt. Later werden ze met erg veel moeite godzijdank bij stukje en beetje weer opgeduikeld. Een wonder. Mijn ontmoeting met zijn schilderijen in het Frans Halsmuseum is dat achteraf gezien ook geweest.
Schaevers beschrijft in zijn boek hoe Nussbaum als getalenteerd kunstenaar in Berlijn zijn carrière met succes aanving. Hij won in 1932 een Pruisische Staatsprijs, waardoor hij in Rome mocht werken. Een beetje tot zijn verdriet, want niet in Rome sloegen de kunstvonken over maar in Parijs moest je wezen. In de Deutsche Akademie Rom Villa Massimo werd hij de buurman van Hitler’s latere favoriet, de beeldhouwer Arno Breker, die de prijs eveneens gewonnen had. Zij hadden collegiaal contact met elkaar tot het moment waarop Hitler in 1933 de macht greep. Nussbaum werd als entartet verbannen uit de Duitse kunst en vluchtte als Joodse exilkunstenaar naar Frankrijk. Tijdens de mobilisatie werd Nussbaum vanuit België naar Zuid-Frankrijk gedeporteerd en opgesloten in een vluchtelingenkamp te Saint Cyprien. Nadat het hem lukte vrij te komen en naar België terug vluchtte, heeft hij over die detentie aangrijpende schilderijen gemaakt. Bij de eerste deportaties dook hij in 1942 onder.

Selbstbildnis mit Judenpaß von Felix Nußbaum – 1943

Perspectief zonder verdwijnpunt
Vlak na de Wende had ik in 1991 voor een tentoonstelling mijn Maand- Reiskoffer (1990) voor de kleibak van Arno Breker in de Galerie am Pariser Platz te Berlijn geplaatst en nu las ik over Nussbaum in Haarlem, België en Berlijn. Het duizelde mij. Plotseling kwamen allerlei verhaallijnen als perspectiefbeelden zonder verdwijnpunt bij elkaar.

‘Maand’, 1990
28 schilderijen in koffer ( Akademie der Künste, Berlijn 1991)

Felix Nussbaum kreeg een plaats in mijn werk na een bezoek aan Het Felix-Nussbaum-Haus in de Duitse stad Osnabrück waar hij is geboren. Vier bomen uit zijn schilderijen zijn een eigen leven gaan leiden in mijn recente schilderijen en als geknotte gestalten spelen zij een rol naast de gesamplede bomen van Beckmann, Carrà en Sironi die ik eerder kon gebruiken. De cyclus Heenreis ohne Heimkehr is ondertussen min of meer afgesloten, maar de bomen leefden op toen ik gevraagd werd een bijdrage te leveren aan een speciale uitgave met gedichten van Carl Friedman.
Ik maakte voor iedere titelpagina van de vier bundeltjes met gedichten een tekening met een Nussbaumboom, die ik Gewonde Boom Gewond noemde. Friedman dichtte over haar vader die getraumatiseerd terugkeerde uit een concentratiekamp, over vernietigingskampen en ook elegische gedichten over haar echtgenoot en haar zoon. De gedichten en bomen kwamen samen als een poging de mythische afstand te overbruggen en boden enige troost als echo’s van een levend verleden. De kunst van Felix Nussbaum heeft daarmee definitief een plaats in mijn pantheon van beelden gekregen.

Ronald Ruseler, maart 2020

Gewonde Bomen Gewond – 2020 / 3

Noten;
1
O.a. Architecture of Aggression: Military architecture of two world wars door Keith Mallory and Arvid Ottar uit 1973.
In 1975 bezocht ik Musée des Arts Décoratifs in Parijs de expositie BUNKER ARCHÉOLOGIE van Paul Virilio | http://ronaldruseler.nl/wp-tekst/architectures-derisoires/

2
 Parlata su Giotto – Carlo Carrà (1916)

3
met dank aan Nop Maas – de Korenmaat

Geraadpleegde bronnen;
– Ronald Ruseler, Mabel Hoogendonk– catalogus, Frans Halsmuseum, Haarlem – 1983
– Reisdagboeken Margreet Bouman en Ronald Ruseler
– Ronald Ruseler, In Berlijn – http://ronaldruseler.nl/wp-tekst/in-berlijn/ – maart 2016
– Carrà, Staatliche Kunsthalle Baden-Baden – 1987
– Carlo Carrà, Zeichnungen von 1908 bis 1920 Galerie Brusberg Berlin – 1987
– De Chirico, Centre Georges Pompidou Paris – 1983
– Mario Sironi, Staatliche Kunsthalle Baden-Baden – 1988
– Mark Schaevers, Orgelman: Felix Nussbaum, een schildersleven, De Bezige Bij – 2014
– Carl Friedman – Gedichten, de Korenmaat – 2020, www.hofvanjan.nl