Op de middelbare school werd mijn interesse voor het leven en werk van Vincent van Gogh gewekt en de tijdens de overgang school en kunstacademie las ik voor het eerst zijn brievenboeken. Ten minste… alleen zijn Nederlandse brieven, want mijn Frans was toentertijd niet bepaald optimaal. De boeken over van Gogh leende ik bij de Stadsbibliotheek. Sindsdien volgden met tussenpozen van Gogh-periodes. Die periodes leidden niet zelden tot van Goghreisjes en zoektochten naar de plaatsen waar hij ooit verbleven had – (Nooit reizen zonder doel). De vraag daarbij was hoe leven en werk in elkaar overgingen bij een schilder die deels een legende geworden was, maar tevens de schilder die met één woeste beweging een nieuw tijdperk voor de schilderkunst inluidde. De wereld van Vincent zag er uit als aaneengeregen puzzelstukjes, maar zijn kunst stond voor mij altijd op nummer één.
In 1985 schaften wij Van Gogh en zijn weg – het complete werk van Jan Hulsker aan. Een kloek boek, waarin alle kunst vermeld staat die Vincent gemaakt heeft. Bij sommige illustraties staat een x-je. Die tekening of dat schilderij hadden wij dan ergens in het echt gezien. (Vanaf onze studietijd hebben wij dit ook altijd gedaan in onze Janson – History of Art. Dat staat vol met x-jes … gezien!)
Broer Theo woonde op Montmartre in rue Lepic. (ook bezocht) In die tijd werd Parijs grondig herbouwd door Georges-Eugène Haussmann. Die stedenbouwkundige revolutie is door Vincent deels vastgelegd, nadat hij bij Theo ingetrokken was. Zoals de schetsen en schilderijen van de beroemde Moulins, waar jongeren en de bohème elkaar op zaterdagavond en zondag troffen in het uitgaansleven. Hier in Parijs borrelde het echte talent van Vincent op. Zijn onbeholpen donkere, Hollandse stijl nam vrijwel meteen een volwassen vorm aan. Theo die in Parijs een succesvol kunsthandelaar was introduceerde Vincent in zijn vriendenclub van experimenterende kunstenaars. Dat waren de schilders Paul Gauguin, Paul Cézanne, Henri de Toulouse-Lautrec, Henri Rousseau, Camille Pissarro, Georges Seurat en niet te vergeten Émile Bernard. Hier kwam het talent van Vincent aan het oppervlak. Hij liet de sombere kleuren varen en richtte zich op het experimenteren met de nieuwste stijlen. Dat was meteen raak.
In Parijs
Lotgenoten – het leven van Vincent en Theo van Gogh van Jan Hulsker gaf een dramatisch (wetenschappelijk) inzicht in het leven van de twee broers. Beiden kwamen uit een goed sociaal nest. Hun vader was dominee en dat hield een degelijke burgerlijke positie met hoog aanzien in. In de 19-eeuw speelden dominees een centrale rol met grote invloed op religieus- en maatschappelijk niveau. Bovendien waren familieleden, zoals oom Vincent, succesvolle kunsthandelaren. Mooie uitgangspunten voor een succesvolle maatschappelijk carrière. Zowel Theo als Vincent zouden stage lopen bij oom Cent. Theo verhuisde naar Parijs en werd hoofd bij de kunsthandel Goupil & Cie (later Boussod, Valadon & Cie) aan de Boulevard Montmartre.
In 1990 werd ter gelegenheid van de herdenking van de 100ste sterfdag van Vincent van Gogh een cassette van 908 brieven uitgegeven. Alles in het Nederlands vertaald. Over een periode van achttien jaar schreef Vincent aan Theo en zijn vrienden. Theo heeft de correspondentie, samen met de schilderijen, altijd zorgvuldig bewaard en zijn weduwe Jo Bonger heeft de brieven later uitgegeven.
Mijn belangstelling kukelde na die explosie van informatie en veel leesplezier een beetje in. Las over zijn vriend Anthon van Rappard en andere (deel-) aspecten uit het leven van Gogh. Daarbij bleef ik mij concentreren op de ontwikkelingen van de familie en vrienden die zich op privé-gebied afspeelden. Het waren familieaangelegenheden op microniveau. Familiesores. Revoluties beginnen klein zonder dat de hoofdrolspelers hun invloed op het grote speelveld gewaar zijn. Kunst is altijd persoonlijk. (zie De Thibaults van Roger Martin Du Gard)
Jo van Gogh-Bonger
Totdat in 2019 Hans Luijten zijn Voor alles Vincent – Het leven van Jo van Gogh-Bonger het licht liet zien. Jo Bonger was de schoonzuster van Vincent en de vrouw van broer Theo. Zij heeft Vincent slechts een paar keer als gast in Parijs ontmoet. Hij kwam haar sterker en krachtiger voor dan haar echtgenoot, die verfijnder en kwetsbaarder was. Zij beviel in Parijs van Vincent Willem. Paul Gauguin kwam op kraamvisite. Na de dood van Vincent raakte Theo in een diepe depressie en werd op verzoek van zijn vrouw opgenomen in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht. Jo keerde definitief terug naar Nederland en betrok een villa in Bussum. Zij had de beschikking over de honderden schilderijen, tekeningen en brieven. De collectie stond opgeslagen op zolder. Harry G.M. Prick beschreef in Een vreemdeling op de wegen : het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890 hoe de jochies Vincentje en Joopie op die zolder, tussen de erfenis, gespeeld hebben. Alberdingk Thijm vond de schilderijen van Vincent prachtig en was bewonderaar, maar op de vraag of de brieven van Vincent enig kunstzinnig of literair belang hadden hield hij zich op de vlakte. Jo dacht aan publicatie.
Was Jo Bonger er niet geweest, dan was er nauwelijks Vincent van Gogh geweest. Zijn oeuvre zou verspreid geraakt zijn en van haar belang ontdaan. Zij bleek het ideële en zakelijk inzicht te hebben gehad om de schilder onder internationale aandacht te brengen en later zelfs te vermarkten. Een enigma was geboren. Door haar inspanningen werd Van Gogh 10 jaar na zijn dood, naast Gauguin en Cézanne, een kunsthistorisch begrip. De rest is geschiedenis. Prachtboek van Hans Luijten.
Vele jaren later exposeerde ik in galerie Kruis-Weg68 van Joke Stoute en Michel van Overbeeke. Meer dan 100 jaar geleden opende J.H. de Bois (1878 – 1946) aan de Haarlemse Kruisweg 68 zijn eigen kunsthandel voor moderne kunst. Er waren in die tijd nog nauwelijks musea voor moderne kunst. Het initiatief van Kunsthandel J.H. de Bois was daarom voor het grote publiek een eerste kennismaking met werken van o.a. Vincent van Gogh, James Ensor en Wassily Kandinsky.
Van 2015 – 2024 was het pand weer in gebruik als galerie. Eigenaar en beeldend kunstenaar Michel van Overbeeke heeft zijn jeugd in dit pand doorgebracht. Zijn ouders hadden in 1948 de bovenwoning gehuurd. Na zijn dood is de galerie opgeheven.
Vincent en Paul
Op vrijdag 21 april 1989 bezochten Margreet en ik de grote overzichtstentoonstelling van Paul Gauguin in het Grand-Palais te Parijs. We stonden eerst 2 uur in de regen voor wij de tentoonstelling konden betreden. Ondanks de enorme drukte (wij stonden die ochtend nog vroeg in de rij) was het heel goed mogelijk alles zorgvuldig te bekijken. Wij moesten wel enig geduld betrachten, maar de ontmoeting met het werk van Gauguin was een hoogtepunt. Of zo’n block-buster nu nog mogelijk is valt te betwijfelen.
Mijn belangstelling voor Paul Gauguin werd weer aangewakkerd door het verschijnen van de biografie Wild Thing-A Life of Paul Gauguin (2024) van Sue Prideaux, maar eerst las ik Het paradijs om de hoek (2003) van Mario Vargas Llosa, want dat lag al een tijdje op de stapel. Het laatste boek is niet echt een roman te noemen. Vargas Llosa beschrijft in alternerende hoofdstukken de levens van Paul en zijn activistische grootmoeder Flora Tristán (1803-1844). Het boek is eerder een vertelling, geen roman.
Paul Gauguin stamde af van een puissant rijke familie uit Peru. Zijn grootmoeder Flora Tristan was telg uit de familie van Don Pio Tristán-y-Morisco, een afstammeling van de Spaanse Borgia’s. De moeder van Flora was een Franse vrouw van eenvoudige komaf en haar vader een steenrijke Spaanse diplomaat van Peruaanse afkomst die Mariano Tristan Moscoso heette. Haar vader stierf toen Flora vijf jaar oud was.
Terug in Frankrijk trouwde Flora Tristan jong met André François Chazal, een Franse graveur. Na haar vertrek bij deze gewelddadige alcoholist, kon deze zich niet neerleggen bij het feit dat Flora hem met haar 3 kinderen verlaten had. Hij heeft haar tot zijn dood, achterna gezeten vanwege haar onwettige en niet erkende scheiding. Flora Tristan is in Frankrijk beroemd geworden als een van de eerste feministes en radicaal socialisten. Op den duur kon zij leven van haar geschriften en werd zij beschermd door de toenmalige culturele elite, waaronder de schrijfster George Sand. De dochter van Flora Aline Chazal (1825-1867) trouwde met Clovis Gauguin (1814-1851). De vader van Paul, Clovis stierf op 37 jarige leeftijd op Vuurland. Heel verhaal.
Paul leidde als jongeling een turbulent leven en werd opgenomen in de familie van Gustave Arosa, de beschermheer van zijn moeder. Leermeester Arosa was beurshandelaar en kunstverzamelaar van de avant-garde. Gauguin groeide aldus op in een wereld van effecten en kunst. Eerst avonturierde hij als zeeman en later werd hij op voorspraak van Arosa succesvol beurshandelaar. Paul begon zelf ook kunst te verzamelen en aangestoken door huisvriend en collega-makelaar Claude-Émile Schuffenecker (1851-1934) eveneens te schilderen. Schuffenecker (Schuff) bleef zich, als bewonderaar, zijn leven lang inzetten voor het werk van zowel Vincent van Gogh als Paul Gauguin.
Paul Gauguin was net als Vincent van Gogh een natuurtalent. Na zijn faillissement als makelaar stortte hij zich, beïnvloed door Camille Pissarro, op zijn kunstenaarschap. Zijn Deense vrouw, Mette-Sophie Gad (1850-1920) en hun vijf kinderen verbleven in Copenhagen. De kunstverzameling werd uit geldgebrek stukje bij beetje verkocht.
Met een groep gelijkgezinden streek Gauguin neer in het Bretonse kunstenaarsdorpje Pont-Avant. Daar werd hij de succesvolle motor en inspirator van een groep gelijkgestemde experimentele schilders, waaronder Paul Sérusier en Jacob Meijer de Haan. (De laatste figureerde meerdere malen in de schilderijen van Paul.)
Hoewel niet groter dan 1 meter 60 had hij een geducht karakter. Men beschreef hem als volgt:
‘Wat zijn gedrag betreft was hij beheerst en zelfverzekerd, stil, bijna nors, hoewel hij zich kon ontspannen en heel charmant kon zijn als hij dat wilde … De meeste mensen waren bang voor hem, zelfs de meest roekelozen namen geen risico’s … Hij is een sluwe vos, was hun oordeel. Hij was bovendien sportief en kon goed schermen. Hoe dan ook, voorzichtigheid troef, want Gauguin was iemand die eerder gepaaid dan geprikkeld moest worden.’
Met deze dominante karaktereigenschap van messias en gekwelde geest die zich voor de kunst opofferde speelde Paul een doorslaggevende rol in de schilderkolonie.
Vincent van Gogh liet zich inspireren door het succes van Gauguin in Pont-Avant, Bretagne. Hem stond een insgelijke schilderkolonie voor ogen in het zuiden van Frankrijk. Hij nodigde Paul uit in zijn Gele Huisje te Arles, dat hij in 1888 huurde. Theo stond garant voor hun verblijf. Eind oktober kwam Gauguin bij Vincent wonen. Ze werkten weliswaar samen, maar discussieerden tot ergernis van Paul ook voortdurend. Hun meningen bleken zo ver uiteen te liggen, dat ze aan de lopende band ruzieden. Aan de schilderkolonie van Vincent kwam abrupt een einde, want na het incident met het oor keerde Paul spoorslags terug naar Bretagne.
Tahiti en Hiva Oa
Na zijn laatste verblijf in Frankrijk reisde Paul in 1901 via Papeete – Tahiti – door naar Hiva Oa op de Markiezen Eilanden. Daar werd Paul Gauguin Koké genoemd, omdat Gauguin door de inheemse bewoners te ingewikkeld was om uit te spreken. Het werd dus voortaan Koké. Op Hiva Oa liet hij in Atuona opnieuw een huisje bouwen net als eerder op Papeete (nadat dit huisje verkocht was heeft de nieuwe eigenaar alle rommel waaronder tekeningen, schildermateriaal, etc. in de tuin verbrand.) Door zijn succes in Frankrijk was er wel geld om van te leven, alleen kon Paul er niet altijd over beschikken. Gauguin heeft zijn hele leven met groot gemak meer geld uitgegeven dan er binnenkwam.
Gauguin heeft zich in Frans Polynesië actief ingezet voor de rechten van de inheemse bevolking. Hij kreeg het al snel aan de stok met de autoriteiten en streed tegen de corruptie, onverschilligheid en willekeur van het Franse bestuur. Ik moest al snel denken aan onze Multatuli, omdat Paul eveneens scherp en kritisch van de tongriem gesneden was in geschrift en daad. Door zijn plotselinge dood ontliep hij een gevangenisstraf wegens belediging van … en samenspanning tegen het koloniale gezag. Hij stierf in 1903.
Epiloog
Het boek van Ross King De omwenteling van Parijs – Over de geboorte van het impressionisme geeft
verrassende inzichten in hoe de artistieke vernieuwingen in de 19e eeuw zich ontwikkelden. Hij schetst de modernisering via het academisme tegenover de vernieuwing via de marge in de kunst. Hoe, waar en wanneer kon je spreken over Être de son temps – eigentijdse kunst. (zie ook Realism – Linda Nochlin, 1973)
De academist Jean-Louis-Ernest Meissonier (1815 – 1891) stond bekend als realistisch vernieuwer die op bijna wetenschappelijke manier tot zijn composities kwam, terwijl Édouard Manet (1832 – 1883) de werkelijkheid benaderde door directe waarneming. Manet werkte intuïtiever en polemiseerde met de groten in de kunst. Voor hem was de dagelijkse werkelijkheid leidend en geleidelijk aan nam hij afstand van het atelierstuk, hoewel Manet ten opzichte van zijn medestanders – de plein-air schilders – altijd een tussenfiguur is gebleven. Uiteindelijk droeg het Impressionisme bij aan de radicale vernieuwingsbewegingen.
De ideologie van het 20e-eeuwse Modernisme heeft een tijdlang het beeld gedomineerd van radicale en revolutionaire Avant-Garde. Tegenwoordig wordt daar anders over gedacht. Schrijvers als Auke van der Woud beschrijven de 19e-eeuw als het ware revolutionaire tijdperk van radicale vernieuwing. Het academisme van nu geldt opnieuw als basisnorm voor officiële erkenning en succes. De radicale posities a lá Gauguin en van Gogh zouden in deze tijd waarschijnlijk weer niet herkend worden.
